|
|
Dopen (Catechese over het Doopsel)Het Doopsel is het sacrament waardoor de mens uit water en de heilige Geest herboren wordt voor het eeuwig leven. In het doopsel wordt driemaal 'ja' gezegd: een 'ja' van God, een 'ja' van de Kerkgemeenschap en een 'ja' van de dopeling. 'Ja' zegt God tot de mens in het doopsel, 'ja', je bent iemand voor Mij. Je draagt een eigen naam. Je bent mijn kind. Ik wil je laten delen in mijn leven. Het 'ja' van God blijft 'ja': het doopsel merkt de dopeling onuitwisbaar en definitief. God neemt zijn woord niet terug. Hij maakt ons voorgoed deelgenoot aan zijn leven. Voorgoed worden we aangenomen als kinderen van God - wat er later ook aan tekortkomingen kan gebeuren. Daarom kan het doopsel niet herhaald worden. Het Doopsel wordt toegediend door een bisschop, een priester of een diaken. In geval van nood mag en moet iedereen het Doopsel toedienen, als hij/zij dit oprecht doet volgens de bedoelingen van de Kerk. Het Doopsel is een gemeenschapsgebeuren. Het geniet daarom de voorkeur dat er zo veel mogelijk mensen bij aanwezig zijn. Bij de meeste mensen is het Doopsel een gebeuren waar de hele familie- en vriendenkring aanwezig is. Die groep mensen getuigt dan als gelovige gemeenschap: "Ja, wij geloven in dezelfde Vader, dezelfde Zoon en dezelfde Geest. We aanvaarden je als lid van de gelovige gemeenschap. We willen voor jou teken zijn van Gods geborgenheid. Als broers en zusters, kinderen van dezelfde hemelse Vader, zullen we naast je staan en je verder onze God leren kennen" Een bijzonder plaats, naast de ouders, hebben in de doopplechtigheid de peter en/of de meter. De ouders spreken bij de doop uit dat ze zich zullen inzetten om hun kind een gelovige opvoeding te geven, het kind te leren leven naar Gods geboden, God en de naaste lief te hebben zoals Jezus ons dat heeft geleerd. Peter en/of meter spreken bij de doop uit dat ze de ouders in die taak zullen bijstaan. Iedereen die gedoopt en gevormd is kan peter en meter worden. De plaats van het Doopsel is in de regel de eigen parochiekerk, de eigen gemeenschap. Bij het Doopsel worden we lid van die grote, wereldwijde Rooms-Katholieke Kerk, dat betekent ook concreet opgenomen worden in de plaatselijke gemeenschap. Toch kunnen er soms goede redenen zijn om het doopsel buiten de plaatselijke gemeenschap toe te dienen. Naast het ja-woord van God en de kerkgemeenschap is er het ja-woord van de dopeling. De meeste dopelingen in onze streken zijn kleine kinderen. Bij een kinderdoop verwoorden de ouders het geloof van de kerk door hun verlangen om hun kind in dit geloof te laten dopen en hun bereidheid zich in te zetten om hun kind God te leren kennen. Soms vragen mensen zich wel eens af of het dopen van een klein kind geen inbreuk is op zijn vrijheid. Neen ! Gaan ouders dan ook wachten om hun kinderen hun taal te leren tot ze die zelf kunnen kiezen. Ouders geven hun kinderen alles mee wat zij zelf belangrijk vinden: ook hun geloof. Het kind zal zelf ook gelegenheid krijgen zijn doopsel te beamen. Iedere zondag bij de geloofsbelijdenis in de eucharistieviering. En ieder jaar worden we tijdens de paaswake uitgenodigd bewuster ja te zeggen op het nieuwe leven, dat we in het doopsel ontvingen. Ook bij de viering van het vormsel worden de doopbeloften vernieuwd. Het is in onze streken een oud gebruik om bij het Doopsel naast een roepnaam ook heiligennamen te geven. Dit is niet verplicht maar toch heeft het een mooie betekenis: we stellen het kind onder de bescherming van die heiligen. "Vertrouw je aan Mij toe", zegt Christus bij het doopsel. "Ik heb op het kruis de machten van het kwaad gebroken".De doopsel schenkt algehele zondevergeving van erfschuld en van elk persoonlijk kwaad. Het laat de mens in Christus herboren worden: van dood naar leven, van zonde naar genade. In onze kerk kennen we twee manieren van dopen. Op sommige plaatsen wordt het doopsel toegediend door onderdompeling. De symboliek daarbij is: Met Christus gaat de dopeling onder in het water en sterft aan het oude leven. Hij rijst met Christus uit het water op en wordt geboren tot nieuw leven. Daarom heet het doopsel "het bad van de wedergeboorte". In onze parochies dopen wij door de dopeling driemaal op het hoofd te begieten met water waarbij de woorden worden gesproken: "Ik doop je in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest." Een zalving met Chrisma (olie door de bisschop op Witte Donderdag in de kathedraal gewijd) voltooit de doophandeling: de gedoopte hoort tot het volk van God. Aan de paaskaars wordt een doopkaars ontstoken. De dopeling wordt bekleed met een wit kleed. Allemaal tekenen die spreken van Pasen en Verrijzenis. Zo begint elk christelijk leven met een grote zending: "Kind van de Vader, word wie je bent. Groei in de kracht van de Geest naar volle gelijkenis met Jezus Christus". Bij het einde van de doopviering wijden wij het kind toe aan Maria. De Moeder van God. Zie ook: online doopvoorbereiding |
||
![]() |